Op een zonnige dag in het bos, werd Kleine Wolfje wakker. "De zon schijnt, de lente is hier!" riep hij blij. Hij rende snel naar buiten. "Kijk, mama! De bloemen bloeien," zei Kleine Wolfje tegen Mama Wolf.
"Ja, de lente is mooi," zei Mama Wolf. "Zullen we samen de tuin verzorgen?"
"Ja, ja!" juichte Kleine Wolfje. Ze liepen naar de tuin. "Wat doen we eerst, mama?" vroeg Kleine Wolfje.
"We geven de planten water," zei Mama Wolf. "Hier is een gieter."
Kleine Wolfje pakte de gieter. "Plons, plons," klonk het water. "De bloemen drinken."
"Dank je, Kleine Wolfje," zei Mama Wolf. "Nu planten we zaadjes."
"Zaadjes planten, zaadjes planten," zong Kleine Wolfje vrolijk. Hij maakte kleine gaatjes in de grond en legde de zaadjes erin.
"Goed gedaan," zei Mama Wolf. "Nu wachten we tot ze groeien."
Kleine Wolfje keek rond. "Kijk, daar is een vlinder!" riep hij blij.
"De vlinders vinden de bloemen ook mooi," zei Mama Wolf. "De lente is vol leven."
Kleine Wolfje glimlachte. "Ik hou van de lente," zei hij.
"Ja, de lente is speciaal," zei Mama Wolf. "Laten we genieten."
Samen keken ze naar de kleurrijke bloemen en de fladderende vlinders. De tuin werd steeds mooier. En zo eindigde een vrolijke lentedag in het bos.