Lena en Noor zijn samen in de tuin. Ze zijn blij. De zon schijnt zacht. “Voel je dat?” zegt Lena. Noor lacht. Ze steekt haar hand omhoog. De zon maakt haar handje warm.
Lena duwt haar rolstoeltje rustig door het gras. Noor loopt naast haar. Ze horen vogels. “Tsjilp, tsjilp,” zegt Noor. Ze lachen samen. Ze kijken naar boven. Daar vliegt een vogel. De vogel is snel. Noor zwaait.
Lena ziet bloemen. Ze stopt bij een gele bloem. Ze ruikt eraan. “Mmm, lekker,” zegt ze. Noor bukt zich ook. Ze ruikt en zegt: “Zoet!” De bloem is zacht. Noor voelt eraan. Lena pakt een blaadje en geeft het aan Noor.
Ze horen bijen zoemen. Ze kijken goed. De bij vliegt van bloem naar bloem. Ze zijn stil. Ze kijken samen. “Bij zoemt,” zegt Lena zacht. Noor knikt. Ze voelen het gras aan hun voeten. Het kietelt.
De lucht is blauw. Wolken drijven langzaam. Lena wijst naar een wolk. “Lijk op een schaap,” zegt ze. Noor lacht. Samen kijken ze lang naar de lucht.
Thuis geeft mama een glas water. Lena en Noor drinken. “Mmm, fris,” zeggen ze. Ze zijn moe maar blij. Ze knuffelen zacht.
Samen genieten voelt fijn, in de lente is alles nieuw en mooi.