In het park was het lente. Bloemen bloeiden. De zon scheen. De vogels zongen. Emma, Lotte en Noor liepen hand in hand. "Kijk, een bij!" riep Emma. De bij zoemde rond een bloem. "Bij maakt honing," zei Lotte. Noor knikte. "Bij is belangrijk."
Ze stapten verder. "Vogel! Vogel!" riep Noor en wees naar de lucht. Een vogel vloog hoog. "Vogel gaat naar nest," zei Emma. "Vogel heeft baby's," zei Lotte.
In het park was een markt. Tafels vol bloemen en planten. "Wat is dat?" vroeg Emma. "Dat is een tulp," zei Noor. "Tulp is mooi."
Een meneer met een hoed gaf de meisjes zaadjes. "Kijk," zei hij, "maak een tuin." Emma plantte een zaadje. Noor en Lotte ook. "Water," zei Noor. Ze goten water over de zaadjes.
De zon scheen warm. Een vlinder fladderde voorbij. "Vlinder!" zei Emma blij. "Vlinder is kleurrijk," zei Lotte. Noor klapte in haar handen.
"Wat is lente mooi," zei Emma. "Ja, lente is leuk," lachte Lotte. Noor keek naar de bloemen. "Bloemen zijn gelukkig," zei ze zachtjes.
De meisjes wandelden verder. Ze zagen een eend in de vijver. "Kwik, kwik," zei de eend. Emma lachte. "Eend zwemt."
Ze gingen naar huis. In de tuin speelden de meisjes vrolijk. Ze dachten aan de bij, de vogel en de vlinder. "Lente is fijn," zei Noor. "Ja, lente is mooi," zei Lotte.
Emma glimlachte. "Lente is vol leven." Ze keken naar de blauwe lucht. Samen genoten ze van de lente. Hun hartjes waren blij, net als de bloemen in het park.