Konijn wipt uit zijn hol. De zon voelt warm op zijn neus. De lucht ruikt naar nat gras. Kleine druppels glinsteren nog op de blaadjes.
Konijn loopt naar de wei. Gras kietelt zijn pootjes. Hij ziet bloemetjes in wit en geel. Een bij zoemt zacht. Een vlinder danst in de lucht. Konijn kijkt en lacht.
Hij stopt bij een plas. Het water spiegelt de wolken. Konijn buigt zich. Hij ziet zijn eigen lange oren. "Hallo," zegt hij zacht. Het water fluistert terug, tik, tik. Konijn klapt met zijn poot. Vissen niet, maar kleine bubbels komen op.
Een eend zwemt voorbij. Ze zegt vriendelijk: "Dag, Konijn." Konijn zwaait met zijn poot. De eend zwemt verder. Konijn ruikt de regen die net viel. Het ruikt fris en schoon.
Konijn vindt een tak. Hij voelt de ruwe schors. Hij legt de tak neer en bouwt een klein huisje voor een kever. De kever kruipt in. Konijn glimlacht. Zijn hart voelt warm.
De wind brengt zaadjes. Ze wervelen zacht. Konijn kijkt naar het veld. Hij voelt blij. Zijn buik knort. Hij vindt een wortel. Zoet en knapperig. Hij eet langzaam. Het smaakt naar lente.
De zon zakt een beetje. Konijn loopt terug naar zijn hol. De lucht wordt zacht roze. Hij kruipt in zijn warme bedje. Hij sluit zijn ogen en ademt rustig.
De lente brengt kleine wonderen en zachte dagen, en samen is het nog fijner.