In het park lopen vier meisjes. Ze zijn vier jaar. Ze heten Noor, Sara, Lotte en Evi. Het is lente. De lucht ruikt fris. De zon is zacht.
Noor houdt Sara haar hand vast. Lotte duwt een kleine buggy met pop. Evi draagt een rood emmertje. Hun schoenen tikken rustig op het pad.
“Voel je dat?” zegt Sara. Ze steekt haar neus omhoog. “Het ruikt naar gras.”
Noor knikt. “En naar natte aarde.”
Bij een struik zitten kleine knoppen. Lotte wijst. “Kijk, dicht!”
Evi raakt zacht. “Ze zijn rond. Net kralen.”
Een merel zingt. Het klinkt helder. De meisjes blijven stil. Ze luisteren. Hun ogen worden groot.
“Hij zegt hallo,” zegt Noor.
“Hallo, vogel,” zegt Sara heel zacht.
Ze lopen verder. In het gras staan gele bloemen.
“Paardenbloem,” zegt Lotte. Ze zegt het langzaam.
Evi ruikt eraan. “Ik ruik bijna niks.”
“Dat is ook goed,” zegt Noor. “Soms ruikt iets heel klein.”
Bij de vijver drijft een blad. Er loopt een eend. Plons, plons.
Sara lacht. “Eendje!”
De eend kwak-kwaakt. Het water maakt ringen. De meisjes kijken naar de ringen. Ze worden groter en groter, tot ze weg zijn.
Op een bankje eten ze stukjes appel. Het knispert in hun mond.
“Lekker,” zegt Evi.
Er waait een zachte wind. Hij kietelt hun wangen. Lotte sluit even haar ogen. “Ik hoor de wind,” zegt ze.
Noor voelt aan haar jas. “Ik voel hem ook.”
Dan ziet Sara iets op het pad. Een kleine slak. Hij gaat langzaam.
“Oei,” zegt Sara. “Niet op hem stappen.”
Noor hurkt. “We maken een veilig plekje.” Ze pakt een groot blad. Samen schuiven ze de slak heel zacht naar het gras.
“Zo,” zegt Lotte. “Dag slak.”
“Dag,” fluistert Evi.
Als ze naar huis gaan, is de lucht roze. In de tuin piept een klein groen sprietje omhoog.
“Lente groeit,” zegt Noor.
Moraal: Als je rustig kijkt en zacht bent, voel je hoe mooi de lente is.