In het gras onder een grote boom woont een klein konijntje. Het konijntje heet Max. Max wordt wakker in zijn warme holletje. Hij rekt zich uit en snuffelt met zijn neusje. Buiten klinkt een zacht liedje van een vogel. Max luistert goed. “Tsjilp, tsjilp,” zingt de vogel. Max glimlacht.
Max loopt naar buiten. De zon schijnt. De lucht is blauw. Max voelt de zon op zijn vacht. De zon is warm. Max springt zachtjes door het gras. Het gras is nat en fris. Max voelt het aan zijn pootjes. Hij ruikt bloemen. Ze ruiken zoet. Max ziet een gele bloem. Hij snuffelt eraan. “Wat ruik jij lekker!” zegt Max vrolijk.
Max hoort bijen zoemen. “Bzzz,” doen de bijen. Max kijkt en lacht. Hij hoort ook het ruisen van de bladeren. Alles klinkt zacht en lief. Max ziet een vlinder. De vlinder is blauw en wit. De vlinder vliegt rustig om Max heen. Max kijkt blij en zwaait met zijn oortjes.
Max gaat zitten onder de boom. Hij kijkt omhoog. Kleine blaadjes waaien in de wind. Max sluit zijn ogen. Hij voelt de wind zachtjes op zijn gezicht. Max ademt diep in en uit. Hij voelt zich rustig en fijn.
Mama konijn komt erbij. Ze aait Max. “Wat is de lente mooi,” zegt mama zacht. Max knikt. Hij voelt zich blij en veilig.
Samen luisteren ze naar de vogels en kijken naar de bloemen.
Lente is fijn omdat alles nieuw en zacht is, en samen zijn maakt alles nog mooier.