Lena en Maja zijn twee goede vriendinnen. Het is winter. De lucht is blauw en de sneeuw is wit. Het sneeuwt zachtjes. "Kijk, Maja! Sneeuw!" zegt Lena met een glimlach. Maja knikt en lacht.
Lena en Maja willen de tuin voorbereiden voor de winter. "We moeten de planten inpakken," zegt Lena. "Ja, de planten zijn koud," antwoordt Maja. Lena pakt een dikke deken en legt deze over de bloemen. Maja helpt met haar handen. "Zo, de bloemen zijn warm," zegt Maja.
Nu gaan ze naar de boom. De boom heeft geen bladeren. "De boom slaapt," zegt Lena. "Ja, de boom is moe," zegt Maja. "Maar in de lente komt hij weer terug." Lena en Maja kijken naar de sneeuw. "De sneeuw is als een zachte dekens," zegt Lena. "Ja, heel zacht," zegt Maja.
Ze gaan binnen en maken warme chocolademelk. "Warm!" zegt Lena. "Heerlijk!" zegt Maja. Ze drinken en lachen. Buiten zien ze een mooie aurora. "Kijk, Maja! Kleurrijke lucht!" zegt Lena. Maja kijkt omhoog. "Mooi, Lena! Heel mooi!"
Ze voelen het warme gevoel in hun harten. "Winter is leuk!" zegt Lena. "Ja, samen is het leuk!" zegt Maja. Ze blijven samen zitten, met een warm gevoel van binnen.
Winter is een tijd van samen zijn. Lena en Maja leren dat ze samen veel kunnen doen. "Laten we morgen weer spelen!" zegt Lena. "Ja, meer plezier!" zegt Maja. En zo kijken ze naar de prachtige winterdag.