Kleine Beer woont in het bos. Het is winter. Kleine Beer helpt zijn familie. "Wat doen we, mama?" vraagt Kleine Beer. "We maken het warm," zegt mama.
Kleine Beer en mama verzamelen hout. "Hout is warm," zegt mama. "Ja, warm hout," herhaalt Kleine Beer.
Kleine Beer speelt in de sneeuw. "Kijk, ik maak een sneeuwbal!" zegt Kleine Beer. "Sneeuw is koud," lacht mama. "Ja, sneeuw is koud," herhaalt Kleine Beer.
Zij glijden van de heuvel. "Whee, dat is leuk!" roept Kleine Beer. "Heuvels maken ons blij," zegt mama. "Ja, blij," herhaalt Kleine Beer.
Thuis knuffelen ze. "Het is warm binnen," zegt mama. "Ja, warm binnen," herhaalt Kleine Beer.
Kleine Beer is blij. Hij helpt mama. Hij speelt in de sneeuw. Hij voelt zich veilig en warm.
De winter is leuk. Sneeuw, heuvels, en thuis. Kleine Beer houdt van de winter. "Winter is mooi," zegt Kleine Beer. "Ja, mooi winter," herhaalt mama.