Het is winter in het bos.
Het is stil.
De lucht is grijs.
Kleine Haas wordt wakker in zijn hol.
Hij rekt zich uit.
Hij gaapt.
Hij voelt de lucht.
De lucht is koud.
Kleine Haas loopt naar buiten.
Overal ligt witte sneeuw.
De sneeuw glanst zacht.
Zijn pootjes maken “krak krak” in de sneeuw.
Kleine Haas kijkt rond.
Hij voelt de wind.
De wind prikt een beetje aan zijn neus.
Hij trekt zijn oren dicht bij zijn kop.
Hij zucht.
Alles is zo groot.
Alles is zo wit.
Hij denkt: waar is mijn warme bos?
Dan komt Eekhoorn aan.
“Dag, Kleine Haas,” zegt Eekhoorn.
“Kijk, alles is zacht en wit.”
Eekhoorn rolt een kleine sneeuwbal.
“Voel maar,” zegt hij.
Kleine Haas tikt de bal aan.
De sneeuw is koud, maar ook leuk.
Muis komt er ook bij.
“Kom,” zegt Muis.
“Wij lopen samen.”
Ze lopen een klein rondje.
Ze ademen wolkjes in de lucht.
Ze lachen.
Hun pootjes gaan “tap tap tap” in de sneeuw.
Na een tijdje zegt Kleine Haas:
“Ik heb het koud.”
“Wij ook,” zegt Eekhoorn.
“Dan gaan wij naar binnen.”
In het hol is het warm en rustig.
Ze drinken warme kruidenthee uit een kleine kom.
Kleine Haas voelt zijn lijf weer warm worden.
Hij glimlacht.
Buiten is de nacht kort en stil.
Binnen ligt Kleine Haas zacht en fijn.
Hij denkt: de winter is koud, maar samen is de winter lief en goed.