Het is winter. De lucht is koel. De dag is zacht en kort. Kleine Bram, één jaar, kijkt naar het raam. Witte vlokjes dansen. Bram slaat zijn handen open. "Kijk," zegt mama. Mama lacht. Papa draagt Bram naar het raam. Ze zijn warm binnen.
Bram krijgt een dikke muts. Zijn handjes gaan in wanten. Zijn voetjes zitten in laarsjes. Buiten is het knisperend. Bram voelt de sneeuw. De sneeuw is koud en zacht. Hij tikt met zijn teen. "Brr," zegt hij en lacht daarna. Papa houdt zijn hand vast. Stap voor stap lopen ze in het licht van de lage zon. Het licht is geel en lief.
Ze maken een klein bolletje van sneeuw. Bram kijkt. Mama helpt. Samen knijpen ze zacht. Het bolletje wordt rond. Bram klapt in zijn hand. Zijn adem maakt kleine wolkjes. Hij wijst naar zijn adem. "Woeh," zegt hij blij. De sneeuw kraakt onder de laarsjes. Het geluid is fijn.
Na de wandeling gaan ze naar huis. De kachel is warm. Mama droogt de neus met een zacht doekje. Bram krijgt warme melk. Het is zoet en zacht. Zijn muts gaat af. Zijn kleren worden droog. Papa legt een deken over Bram. Het licht is zwak en warm. Bram voelt zich veilig.
Voor bed zingen ze een kort lied. De stem van mama is zacht. Bram sluit zijn ogen. Hij denkt aan de sneeuw en aan de bolletjes. Hij denkt aan de warme melk en de handen van papa. De nacht is stil. De maan kijkt naar buiten. Bram slaapt. Hij droomt van vlokjes en van een warme kus.
Een kleine stap in de sneeuw maakt vaste moed in een warm hart.