Tom zit bij het raam. Buiten is alles wit. De bomen hebben een deken van sneeuw. Tom kijkt. Hij ziet de kleine vogels. Ze zoeken zaadjes in de sneeuw. Mama doet Tom zijn warme jas aan. “Ga je mee naar buiten?” vraagt mama. Tom knikt blij.
Buiten voelt de lucht koud. Tom blaast. Wolkjes komen uit zijn mond. Hij lacht en stapt in de sneeuw. Zijn laarsjes maken zachte sporen. “Kijk, mama! Voetjes!” roept Tom. Mama lacht.
Tom pakt een handje sneeuw. Het voelt koud. Hij kijkt naar mama. “Is niet erg, Tom. Sneeuw is koud, en jij bent warm in je jas,” zegt mama. Tom glimlacht. Ze maken een kleine sneeuwbal. Tom rolt hem over de grond. De sneeuwbal wordt groot.
Dan voelt Tom zijn wangen warm worden. Mama zegt: “We gaan naar binnen.” Thuis drinken ze samen warme melk. Tom is moe. Mama geeft hem een zachte knuffel. “Goed gedaan, Tom,” fluistert ze.
In de winter is het buiten koud, maar samen is alles warm en fijn.