Lena kijkt naar buiten. Het is winter. De sneeuw ligt overal. Witte sneeuw, zachte sneeuw. "Kijk, mama!" roept Lena. "Sneeuw!"
Mama komt kijken. "Ja, Lena! Sneeuw is leuk. We gaan buiten spelen!" zegt mama met een glimlach. Lena klapt in haar handen. Ze is blij!
Lena trekt haar warme jas aan. De jas is blauw, met een grote capuchon. Ze trekt ook haar zachte handschoenen aan. "Brrr, het is koud!" zegt Lena. Maar dat maakt niet uit, want sneeuw is leuk.
Buiten is alles wit. De bomen zijn wit, de straten zijn wit. Lena gaat op de sneeuw zitten. "Koud, maar leuk!" zegt ze. Ze pakt een handje sneeuw. "Mama, kijk!" zegt ze. "Sneeuwballen maken!"
Lena en mama maken sneeuwballen. "Gooi!" roept mama. Lena gooit een sneeuwbal. Plop! De sneeuwballen vallen. Ze lachen samen. "Nog een keer!" zegt Lena. Ze maakt meer sneeuwballen en gooit ze omhoog. Ze vallen op hun hoofd. "Sneeuw op ons hoofd!" zegt mama en ze giechelt.
Na het spelen in de sneeuw, gaan ze naar binnen. Lena is moe, maar blij. Mama maakt warme chocolademelk. "Heerlijk!", zegt Lena. Ze drinkt en zegt: "Sneeuwig en warm!"
De dag is voorbij. Lena knuffelt met mama. "Winter is leuk," zegt ze. "Ja, winter is fijn!" zegt mama. Ze gaan samen slapen met de mooie winterdromen in hun hoofd.
Sneeuw is leuk. Samen spelen is fijn. Winter is een tijd van lachen en genieten.