Een man in een klein bootje. Het bootje is een ruimteboot. Hij heet Tom. Tom draagt een warm pak. Het pak is zacht. Hij lacht.
De boot gaat stil. Buiten is donker. Buiten glinstert licht. Tom kijkt. Hij ziet ster. Sterren zijn als kleine lampen. Tom wijst. "Kijk," zegt hij. Een klein robot piept. De robot is rond en geel. De robot zegt zacht zijn naam. "Beeep," zegt hij. Tom lacht. Het is gezellig.
De boot gaat naar een blauwe planeet. De planeet is ver weg. Tom zet de koers. Hij drukt op een knop. De knop klik. Het licht wordt blauw. De boot zweeft zacht. Tom voelt geen bang. Het is warm in de boot.
Plots een klein piep. Een lamp knippert. De robot veegt met een kleine doek. "Het is ok," zegt Tom. Hij bouwt een pluis uit het scherm. Alles werkt weer. Tom klapt zacht in zijn hand. De robot lacht met een klein geluid. Alles is goed.
De planeet komt dichter. Tom ziet water. Hij ziet groene stipjes. Zijn hart wordt blij. Hij zingt een kort liedje. Het liedje is stil en zacht. De boot landt met een zachte plof. De deur gaat open. Een frisse wind komt binnen. Tom ademt diep. Het ruikt naar nat gras. De robot springt naar buiten en rolt in het gras. Hij maakt kleine sprongetjes. Tom veegt het stof van zijn kaskuip. Hij stapt uit.
Op de planeet vindt Tom een klein dorp. Mensen komen naar hem toe. Ze zwaaien. Ze brengen een warm kopje. Tom drinkt en glimlacht. "Dank je," zegt hij. Ze geven hem een zacht deken. Tom voelt zich thuis. De robot zit op zijn schouder. Ze spelen. Ze eten samen.
Als de dag eindigt, kijkt Tom naar de sterren. Hij voelt zich klein en blij. Hij slaapt zacht in zijn deken.
Moraal: Samen is reizen warm en veilig.