Milan is een jonge man. Hij woont op een klein schip in de ruimte. Het schip heet Muis. Het is wit en rond. Binnen is het warm.
Milan doet een lijst. Lamp aan. Riem vast. Water mee. Hij tikt op een knop. “Start,” zegt hij. De motor zoemt zacht.
Door het raam ziet Milan sterren. Ze zijn klein en helder. Op het scherm staat een pijl. Die wijst naar een maan. De maan heet Lila.
“Hallo, Lila,” zegt Milan. “Ik kom rustig aan.”
De robot naast hem heet Pip. Pip heeft ronde ogen. “Alles groen,” zegt Pip.
Milan stuurt zacht. Hij draait aan een wiel. Het schip draait ook. Hij kijkt naar de meters. Eén meter piept. Pip kijkt. “Klein stofje,” zegt Pip. Pip blaast in een buis. Puf. Het piepje stopt.
Milan lacht. “Dank je, Pip.”
Ze komen bij Lila. Milan drukt op “langzaam”. Het schip daalt. Het landt met een klein hopje. Boem. Dan stil.
Milan trekt zijn helm aan. Pip ook, met een kleine kap. Ze gaan naar buiten. De grond is zacht en grijs. Milan zet een vlag met een ster. Pip zet er een koekje naast. “Voor later,” zegt Pip.
Milan kijkt omhoog. “Zo groot,” zegt hij, en hij denkt aan thuis. Hij pakt de hand van Pip.
Samen kom je verder, stap voor stap.