Jan is een man. Jan werkt in een klein schip. Het schip gaat naar de sterren. Het is zacht in het schip. Alles is warm. Alles is licht.
Jan kijkt naar het raam. Buiten zijn veel bolle sterren. Jan lacht. "Kijk", zegt hij. Zijn stem is zacht. Een klein robotje piept. Het robotje houdt een mok vast. Jan zegt, "Dank je." Het robotje lacht met een lampje.
Het schip reist langzaam. De piloot drukt op knoppen. De knop voelt rond en koud. Jan kijkt naar de kaart. De kaart toont een stip. De stip is hun doel. Jan voelt een klein trilling. Het is niet eng. Het is werk. Jan voelt zijn hart rustig.
Iedere dag maakt Jan eten. Hij snijdt zacht brood. Hij zet soep in een kom. Het robotje brengt de kom. Jan deelt met het robotje. Ze eten samen. Buiten glinsteren de sterren als kleine lampjes. Jan zwaait naar ze. Het voelt fijn.
Op een dag ziet Jan een plotje rook. Een klein draad is los. Jan zegt, "O, denk." Hij pakt een pluis en plakt het draad zacht vast. Het is makkelijk. Het robotje houdt een licht. Nu stopt de rook. Alles blijft veilig. Jan poetst het hoekje. Het is weer schoon en warm.
Jan oefent met de maansteen. Hij raakt het met een vinger. Het steen voelt koel en zacht. Jan zingt een klein liedje. De stem is klein en blij. Het schip komt dichter bij de grote ster. De motoren zingen zacht. Het voelt als een slaapliedje.
Aan het einde parkeert Jan het schip op een glad pad. Hij stapt langzaam uit. De lucht is stil. Jan pakt het robotje aan de hand. Samen kijken ze. Ze ademen diep en lachen.
Iedereen helpt en zorgt, en dan is reizen rustig en mooi.