Er was eens een vrouw genaamd Lotte. Ze had een heel bijzonder ruimteschip. Het was groot en blauw. Lotte ging graag op reis. Vandaag ging ze naar een ster. Het was een mooie ster, geel en warm.
Lotte stapte in haar schip. Ze zei: "Hallo schip!" Het schip maakte een zacht geluid. Ze drukte op een knop. Het schip vloog omhoog. Lotte keek uit het raam. Ze zag de aarde klein worden.
"Wat mooi!" zei Lotte. Ze zag sterren blinken. Het schip vloog snel. Lotte voelde zich blij.
Onderweg zag ze een kleine planeet. De planeet was paars. "Daar wil ik kijken," zei Lotte. Ze zette het schip stil. Lotte stapte uit. Het was rustig en stil.
Op de planeet groeiden bloemen. Lotte rook eraan. "Mm, lekker," zei ze. Er waren ook dieren. Kleine blauwe dieren sprongen rond. Ze maakten zachte geluiden. "Hallo dieren!" zei Lotte.
Een dier kwam dichterbij. Het keek nieuwsgierig. Lotte lachte. "Wil je spelen?" vroeg ze. Het dier sprong blij omhoog. Lotte en het dier liepen samen rond. Ze hadden veel plezier.
Na een tijdje zei Lotte: "Ik moet weer gaan." Het dier zwaaide met een pootje. Lotte stapte in haar schip. "Dag kleine vriend!" zei ze. Het schip vloog weer omhoog.
Ze keek nog een keer naar de ster. Het was tijd om naar huis te gaan. Lotte drukte op de knop. Het schip ging terug naar de aarde.
Thuis stapte Lotte uit. Ze was blij. "Wat een mooie reis," zei ze zacht. En ze leerde dat vriendelijkheid altijd een glimlach brengt.