Joris is een jonge man. Hij rijdt niet in een auto. Hij gaat in een klein schip. Het schip heet Sterboot. Het schip glanst wit. Het licht is zacht.
Joris lacht. Hij pakt een warme deken. Hij zet die op zijn schoot. Hij kijkt uit het raam. Buiten is veel zwart. Er zijn stipjes licht. Die heet sterren.
Het schip maakt zachte geluiden. Een lamp knippert. Een knop licht groen. Joris drukt. Het schip zweeft rustig. Het voelt als een wieg.
Joris zegt: "Hallo, ruimte." Zijn stem is zacht. Het schip antwoordt met een piep. Het piep klinkt als een vogelzoem. Joris lacht en zwaait naar het raam.
Hij heeft een klein kaartje. Op het kaartje staat een lijn. De lijn gaat naar een blauwe stip. De stip is een planeet. Joris wil die planeet zien. Hij wil daar landen. Hij wil luisteren naar wind.
De reis duurt kort in het verhaal. Joris eet een banaan. Hij drinkt water. Hij kijkt naar het boek. Het boek heeft teken. Er staan cirkels en lijnen. Joris volgt de lijnen met zijn vinger. Het voelt als spelen.
Het schip nadert de planeet. De motor maakt een zacht geluid. Een deur gaat open. Een ladder klapt uit. Joris houdt de railing vast. Hij stapt naar buiten. De grond voelt warm aan. Er groeit zacht gras. Kleine lichtjes bewegen. Ze geven kleur.
Joris zegt: "Wat mooi." Een klein dier komt. Het dier ruikt aan zijn hand. Het dier maakt een zacht geluid. Joris lacht en aait het dier. Hij voelt blij.
Hij helpt het dier naar zijn huisje. Het huisje is rond en klein. Joris legt zijn deken neer. Hij leeft even met het dier. De nacht valt langzaam. Boven zijn meer sterren. Joris kijkt omhoog en glimlacht. Hij voelt rust.
De volgende dag stapt hij weer in de Sterboot. Hij zwaait naar zijn nieuwe vriend. Het schip stijgt. Joris kijkt terug en zegt zacht: "Tot ziens."
Wees vriendelijk en nieuwsgierig naar de wereld.