Meneer Sam is groot. Hij is in een ruimteschip. Het schip heet Pip. Het zoemt: “zoem-zoem”.
Sam doet rustig. Hij kijkt naar een lampje. Groen. “Goed,” zegt Sam. Hij drukt op een knop. “piep!” De deur klikt: “klik-klik”.
In de stoel ligt zijn knuffelbeer, Bo. Bo draagt een klein bandje. Sam lacht. “Bo gaat mee,” zegt Sam.
Sam telt zacht. “Drie… twee… één.” “Hop!” zegt Sam. Het schip gaat omhoog. “woesj!” Buiten is het donker, met veel kleine lichtjes.
Sam kijkt door het ronde raam. “Dat zijn sterren,” zegt Sam. Hij wijst. Bo zit vast met een riem. “Klaar,” zegt Sam.
Pip zegt: “piep-piep.” Sam kijkt naar het scherm. Een kruimel zit op een knop. “Oei,” zegt Sam. Hij veegt het weg. “Veeg-veeg.” Het scherm wordt weer helder. “Fijn,” zegt Sam.
Ze vliegen langs een maan. “Hallo, maan,” zegt Sam. Bo lijkt te zwaaien. Sam drinkt een slok water. “Slok.” Hij zet alles netjes terug.
Dan gaan ze naar huis. “Rustig terug,” zegt Sam. “zoem-zoem… plof.” Het schip staat stil. Sam aait Bo.
Samen werken en rustig blijven helpt altijd.