Mara is een vrouw. Zij is in een klein schip. Het schip heet Piep. Piep is wit en rond. Binnen is het stil. Mara hoort een zacht zoem.
Mara kijkt naar het scherm. Een groene stip zegt: alles goed. Mara drukt op een grote knop. “Start,” zegt Mara. Het schip trilt een beetje. Dan gaat het rustig.
“Hallo, Piep,” zegt Mara.
“Hallo, Mara,” zegt Piep.
Mara doet haar riem om. Klik. Ze pakt haar beker met water. Slok. Ze kijkt door het raam. De aarde is blauw. Heel rond. Mara lacht zacht. “Dag, aarde,” zegt Mara.
Piep zegt: “We gaan naar de maan. Het duurt een klein stukje tijd.”
Mara knikt. “Goed.”
Op de plank ligt een klein doosje met zaadjes. Mara streelt het doosje. “Zaadjes gaan mee,” zegt ze. “Voor een maan-tuin.”
Piep piept even. “Oei,” zegt Piep. “Een lampje is geel.”
Mara kijkt. Het lampje is bij de lucht. Mara blijft rustig. Ze pakt een klein doekje. Ze maakt een klepje schoon. Ze drukt nog een knop. Klik.
Het lampje wordt weer groen.
“Fijn,” zegt Mara.
“Fijn,” zegt Piep. “Goed gedaan.”
Mara zweeft een beetje. Ze doet haar hand uit. Ze tikt zacht tegen een bal. De bal is een speel-bal. Hij drijft weg. Mara duwt hem terug. “Kom terug,” zegt ze. Ze giechelt.
Dan ziet Mara iets buiten. Een klein lichtje. Het is een satel-liet. Het zwaait. Mara zwaait terug. “Hoi,” zegt ze.
Piep zegt: “Het kijkt naar wolken. Het helpt ons ook.”
De maan komt dichterbij. Grijs en zacht. Mara zet het schip langzaam. Ze telt: “Een, twee, drie.” Piep maakt een zachte piep. Het schip staat stil op de maan.
Mara pakt haar helm. Klik. Ze stapt naar buiten. Ze zet een klein potje neer. Ze doet zaadjes in het zand. Ze geeft een drup water. “Groei maar,” zegt Mara.
Ze kijkt naar de aarde. “We zijn ver, maar ik ben veilig,” zegt ze.
Lief zijn en rustig blijven helpt elke reis goed te gaan.