In een mooi, klein dorpje viel de sneeuw. De sneeuw was wit en zacht. De lucht was koud, maar de zon scheen een beetje. Twee kleine meisjes, Emma en Lotte, hadden veel plezier.
“Laten we naar buiten gaan!” zei Emma. Lotte knikte met een grote glimlach. Ze droegen warme jassen, mutsen en handschoenen.
Buiten was alles wit. “Kijk, sneeuw!” riep Lotte. Ze rende naar de sneeuw en maakte een grote bal. “Dit is een sneeuwbal!” zei ze blij. Emma lachte en maakte ook een sneeuwbal. “Sneeuwballen zijn leuk!” zei Emma. Ze gooiden hun sneeuwballen naar elkaar. Wat een plezier!
Na het spelen wilden ze iets anders doen. “Laten we een sneeuwpop maken!” stelde Emma voor. “Ja, dat is leuk!” zei Lotte. Ze rolden grote sneeuwballen. De eerste was groot, de tweede was kleiner en de derde was klein.
“Dit is het lichaam!” zei Lotte. “En dit is het hoofd!” zei Emma. Ze vonden takken voor de armen en een wortel voor de neus. “Onze sneeuwpop is mooi!” riep Lotte. De sneeuwpop had een grote glimlach.
Toen kwamen andere kinderen spelen. “Wat een mooie sneeuwpop!” zei een jongen. “Mogen we helpen?” vroeg hij. “Ja, kom maar!” zei Emma. Samen maakten ze de sneeuwpop nog mooier.
De kinderen lachten en zongen winterliedjes. “Winter is leuk!” zei Lotte. “Ja, winter is fijn!” zei Emma. Ze waren blij samen.
De dag eindigde met warme chocolademelk. “Dit was een geweldige dag!” zei Lotte. Emma knikte. “Ja, dat was het!”
De winter, met zijn sneeuw en plezier, maakte hen gelukkig. En zo, met warme harten, gingen ze naar huis.