Lukas is een kleine jongen van twee jaar. Hij woont in een dorp waar de winter is begonnen. De lucht is wit en koud. De sneeuw valt zachtjes naar beneden. Lukas kijkt uit het raam. "Kijk, mama! Sneeuw!" roept hij blij.
Mama lacht. "Ja, Lukas, dat is sneeuw," zegt ze. Ze trekt zijn warme jas aan. "Laten we buiten spelen."
Buiten ziet Lukas de wereld wit en glinsterend. De sneeuw knispert onder zijn laarzen. "Wat is dat?" vraagt Lukas.
Mama pakt een handvol sneeuw. "Dit is sneeuw, Lukas. Het is koud water dat bevroren is." Ze laat de sneeuw smelten in haar hand. "Zie je? Het wordt weer water."
Lukas lacht en klapt in zijn handen. "Koud! Koud water!" zegt hij blij.
Mama en Lukas maken samen een sneeuwpop. Ze rollen grote ballen van sneeuw. "Eén, twee, drie ballen," telt mama. "Kijk, een sneeuwman!"
Lukas klapt weer in zijn handen. "Sneeuwman!" roept hij vrolijk.
Als ze klaar zijn, gaan ze terug naar binnen. Mama maakt warme chocolademelk. "Kijk, Lukas," zegt ze. "Warme chocolademelk om op te warmen."
Lukas drinkt voorzichtig. "Warm! Lekker!" zegt hij.
Mama knikt. "De winter is koud, maar ook vol plezier," zegt ze. "We kunnen sneeuwballen gooien, sneeuwpoppen maken en warme chocolademelk drinken."
Lukas lacht. Hij voelt zich gelukkig en warm. "Ik hou van de winter," zegt hij zachtjes.
Mama geeft hem een knuffel. "De winter is mooi, Lukas. Het is een tijd van gezelligheid en plezier."
En zo eindigt de dag voor Lukas, vol sneeuw, leren en liefde.