Lotte was een vrolijk meisje van 18 maanden. Ze had een grote glimlach en glanzende ogen. Lotte hield van het spelen met haar speelgoed en vooral met haar boeken. Op een dag, toen de zon onderging, werd het donker in haar kamer. Lotte voelde een kriebel in haar buik. "Het is donker," zei ze zachtjes. "Ik ben een beetje bang."
Mama kwam binnen met een warme glimlach. "Lotte, wat is er aan de hand?" vroeg ze. "Het is donker," zei Lotte weer. "Ik ben bang." Mama knielde naast haar en zei: "Ik begrijp het, Lotte. Maar weet je wat? In het donker zijn er ook mooie dingen."
Mama pakte een boek van de plank. Het had kleuren en beelden van dieren. "Kijk, Lotte," zei mama, "dit is een nachtuil. Hij is niet bang in het donker, want hij kan goed zien." Lotte keek naar de pagina. "Oeh, een uil!" zei ze verrast.
Mama las verder. "Kijk, dit zijn sterren. Ze twinkelen in de lucht, ook in het donker!" Lotte zag de sterretjes en haar ogen glinsterden. "Ik zie de sterren!" riep ze vrolijk.
"En wat dacht je van een lampje?" vroeg mama. Ze draaide een klein lampje aan. "Kijk, nu is het licht! Het is niet zo donker meer." Lotte lachte. "Het is licht!"
Mama knuffelde Lotte. “Als het donker is, zijn er altijd dingen om te zien en te ontdekken. Je hoeft niet bang te zijn.” Lotte knikte. "Ik ben niet bang meer!" zei ze blij.
Zo leerde Lotte dat het donker ook mooi kan zijn. Met een glimlach viel ze in slaap, omringd door haar sterren en haar liefdevolle mama.