Lars is een kleine jongen. Lars is één jaar oud. Lars gaat naar bed. Het is donker in zijn kamer. Lars voelt zich een beetje bang. Mama komt binnen.
"Mama, ik ben bang," zegt Lars.
Mama knielt neer bij Lars. "Waarom ben je bang, Lars?" vraagt Mama.
"Het is donker," zegt Lars. Hij kijkt rond. Alles is stil.
Mama glimlacht. "Weet je, Lars, donker kan ook mooi zijn. Kijk maar naar de sterren."
Mama opent het gordijn een beetje. Lars ziet de sterren. Ze twinkelen en glinsteren.
"Zie je de sterren?" vraagt Mama.
"Ja," zegt Lars. Hij lacht een beetje.
"De sterren zijn lichtjes in de donkere lucht," zegt Mama. "Ze zijn vriendjes van de nacht."
Lars kijkt naar de sterren. Ze zijn mooi en maken geen geluid. Lars voelt zich rustiger.
Mama zingt een zacht liedje. Lars luistert. Het is een liedje over de maan en de sterren.
"De sterren waken over jou," zingt Mama zachtjes.
Lars sluit zijn ogen. Hij denkt aan de sterren. De sterren zijn vriendelijk.
"Ik ben niet bang," zegt Lars.
Mama lacht. "Heel goed, Lars. De nacht kan rustig zijn."
Mama geeft Lars een kus. "Slaap lekker, Lars."
Lars voelt zich veilig. Hij weet dat de sterren er altijd zijn. Zelfs als het donker is.
Lars valt in slaap. De sterren glinsteren. Alles is goed.
Lars droomt over de sterren. Ze dansen in de lucht. Lars is blij. De nacht is mooi.