De jongens spelen. Ze lachen en rennen. Maar als het donker wordt, worden ze stil. "Ik ben bang," zegt Sam. "Het is donker."
"Geen zorgen," zegt Tom. "We kunnen een lampje aanzetten!" Ze zetten een zacht lampje aan. Het licht is warm en vriendelijk.
"Ik zie mijn speelgoed!" zegt Max blij. "Kijk, een auto!"
"En hier is mijn boek," zegt Sam. "We kunnen samen lezen."
De jongens zitten dicht bij elkaar. Ze lezen en lachen. Het donker is niet eng meer.
"Het is gezellig," zegt Tom. "We zijn samen."
"Ja," zeggen de anderen. "Samen is fijn!"
De jongens voelen zich veilig. Het donker is oké!