Lars is drie jaar. Lars houdt van spelen. Maar Lars is bang in het donker. Als het donker is, voelt hij zich klein. Papa en mama zeggen: "Het is oké, Lars. We zijn hier bij jou."
Op school doet Lars mee aan een activiteit. Juf Anna vertelt over het donker. Juf Anna zegt: "Donker is niet eng. Het is als een zachte deken." Lars luistert goed.
Juf Anna laat een lampje zien. "Dit is een nachtlampje," zegt ze. "Het geeft zacht licht. Het houdt je gezelschap." Lars vindt het lampje leuk. Het is klein en schijnt zacht.
Thuis vertelt Lars alles aan papa en mama. Papa zegt: "Goed gedaan, Lars! We kunnen een nachtlampje in je kamer zetten." Lars knikt blij. Hij voelt zich al een beetje minder bang.
's Avonds, voor het slapen gaan, zet mama het nachtlampje aan. Het schijnt zachtjes. Lars kijkt naar het lampje. Hij zegt: "Het is als een ster." Mama lacht en geeft Lars een kus.
Lars sluit zijn ogen. Hij denkt aan de zachte deken. Hij denkt aan de ster. Het voelt fijn. Lars weet dat papa en mama dichtbij zijn. Hij weet dat hij veilig is.
De volgende dag vertelt Lars aan zijn knuffelbeer: "Donker is niet eng. Het is zacht en rustig. Net als een deken." De knuffelbeer knikt. Hij is het eens met Lars.
Papa en mama zijn trots op Lars. Lars is dapper. Hij heeft geleerd dat donker ook mooi kan zijn. Lars voelt zich groot en sterk. En elke nacht, als het donker wordt, weet Lars: "Ik ben niet alleen."
Lars lacht. Hij weet dat hij altijd veilig is. Met zijn nachtlampje, zijn knuffelbeer, en de liefde van papa en mama. Donker is niet meer eng. Het is een nieuwe vriend.