Tommy was een klein jongetje van twee jaar. Tommy hield van de dag. De zon scheen en de vogels zongen. Maar 's nachts, als het donker werd, voelde Tommy zich soms bang.
"Ik ben bang," zei Tommy. Zijn mama kwam naar hem toe. "Waarom ben je bang, liefje?" vroeg ze. Tommy wees naar de schaduw op de muur. "Die schaduw is groot en eng," zei hij.
Mama knielde naast hem. "Kijk, Tommy, dit is een lampje," zei ze. Ze zette een nachtlampje aan. Het gaf een warme, zachte gloed. "Kijk, het maakt de schaduw kleiner," zei mama.
Tommy glimlachte. "Het is nu beter!" zei hij blij. "Ja, schaduwen kunnen soms eng lijken, maar met licht zijn ze minder eng," zei mama.
Tommy pakte zijn kleine zaklamp. "Ik wil ook licht maken!" zei hij enthousiast. Hij begon rond te schijnen met de zaklamp. "Kijk, daar is een schaduw van mijn teddybeer!" riep hij.
Mama lachte. "Ja, je teddybeer is veilig met jou," zei ze. "Als je je bang voelt, kun je altijd het licht aanzetten."
Tommy knikte. "Ik ben niet meer bang!" zei hij. Hij kroop in bed met zijn teddybeer. Mama gaf hem een kus. "Slaap lekker, Tommy. Ik ben dichtbij," fluisterde ze.
En zo sliep Tommy rustig in, met licht en liefde om hem heen.