Lia is een klein meisje. Ze is één jaar oud. Lia houdt van spelen. Maar als het donker wordt, is Lia een beetje bang.
“Het is donker,” zegt Lia. “Ik zie niets.”
Mama zegt: “Geen zorgen, Lia. We maken het gezellig.”
Mama haalt een lampje. Het lampje is zacht en warm. “Kijk, Lia! Dit lampje maakt het licht.”
Lia kijkt naar het lampje. “Licht is fijn,” zegt ze. “Licht is leuk!”
Mama zegt: “Als het donker is, kunnen we ook leuke dingen doen. Kijk eens naar de sterren.”
Lia kijkt naar het raam. “Sterren!” roept ze. “Ze twinkelen!”
“Ja, ze zijn mooi,” zegt mama. “De sterren zijn altijd daar, ook als je ze niet ziet.”
Lia glimlacht. “Ik zie de sterren. Ze zijn niet bang!”
Mama zegt: “We kunnen ook een verhaal voorlezen. Dat maakt het minder eng.”
Mama pakt een boek. “Weet je wat? Dit verhaal is over een dappere leeuw.”
Lia luistert goed. “Dappere leeuw!” zegt ze. “Ik wil een dappere leeuw zijn!”
“Ja, Lia,” zegt mama. “Jij bent ook dapper. Het is oké om bang te zijn. Maar we kunnen samen zijn.”
Lia knikt. “Samen zijn is fijn.”
Mama zegt: “We kunnen ook een kussen maken. Kijk, dit kussen is zacht.”
Lia knuffelt het kussen. “Zacht kussen, fijn kussen.”
Als het donker is, is het ook tijd om te slapen. Mama zegt: “Lia, je bent dapper. Je hebt een lampje, sterren en een verhaal.”
“Ja, mama! Ik ben dapper!” zegt Lia.
Lia sluit haar ogen. Ze voelt zich veilig. “Slaap lekker, sterren,” zegt ze. “Ik ben niet bang.”
Lia droomt van sterren en een dappere leeuw.