Lennart is een kleine jongen van drie jaar. Het is lente! De zon schijnt en de bloemen bloeien. “Kijk, mama! De bloemen zijn mooi!” zegt Lennart.
Mama glimlacht. “Ja, schat. In de lente groeien de bloemen en de bomen worden groen. Lente is een vrolijke tijd!”
Op school leert Lennart over de lente. Zijn juf zegt: “Wat gebeurt er in de lente?” De kinderen antwoorden: “De vogels zingen, de zon schijnt en de bloemen bloeien!”
Lennart steekt zijn hand omhoog. “En de bijen zoemen!” roept hij. “Ja, heel goed!” zegt de juf. “De bijen helpen de bloemen.”
De klas maakt een lentetekeningen. Lennart tekent een grote zon, groene gras, en kleurrijke bloemen. “Ik hou van de lente!” zegt hij en hij lacht.
Na de les gaan ze naar buiten. “Wat een mooie dag!” zegt de juf. De kinderen rennen en spelen. Lennart voelt het gras onder zijn voeten. “Het is zacht!” roept hij blij.
Plotseling ziet Lennart een klein vlindertje. “Kijk, een vlinder!” roept hij. De vlinder fladdert rond. “Ze danst in de lucht!” zegt Lennart. Zijn vriendje Sam zegt: “Laten we de vlinder volgen!”
De kinderen rennen achter de vlinder aan. Ze lachen en juichen. De vlinder gaat naar de bloemen. “Ze houdt van de bloemen!” zegt Lennart.
Na het spelen gaan ze weer naar binnen. De juf vraagt: “Wat hebben jullie geleerd?” Lennart zegt: “We hebben geleerd over de lente en de bloemen!”
“Goed zo, Lennart!” zegt de juf. “Lente is een tijd van groei en vreugde.”
Als de school voorbij is, gaat Lennart naar huis. “Mama, ik heb veel geleerd!” zegt hij. “De lente is leuk!”
Mama knuffelt Lennart. “Ja, schat. Lente is een mooie tijd. We moeten genieten van de natuur!”
Lennart kijkt naar de bloemen in de tuin. “Ik hou van de lente!” zegt hij blij. En zo eindigt een mooie dag in de lente.