Lars is een klein jongetje van twee jaar. Het is winter en de lucht is koud en fris. De bomen zijn kaal en de lucht is blauw. Lars kijkt naar buiten. Hij ziet witte sneeuwvlokken vallen. “Sneeuw!” roept hij blij.
Mama zegt: “Lars, laten we de tuin klaar maken voor de winter!” Lars knikt enthousiast. Hij trekt zijn warme jas aan. De jas is geel en heeft een capuchon. Hij doet ook zijn wollen muts op. “Kijk, mama!” zegt Lars. “Ik ben warm!”
Ze gaan naar buiten. De sneeuw ligt overal. Het is zacht en wit. Lars steekt zijn hand in de sneeuw. “Koud!” zegt hij en lacht. Mama lacht ook. “Ja, maar het is leuk!”
Lars en mama gaan naar de tuin. Ze zien de planten. “De planten moeten slapen in de winter,” zegt mama. “We moeten ze bedekken.” Lars helpt mama om de planten te bedekken met bladeren. “Zo, ze zijn warm,” zegt Lars trots.
Dan zegt mama: “Laten we de vogels helpen.” Ze hangen een voederhuisje in de boom. Lars helpt met de zaadjes. “Vogels, kom maar eten!” roept hij.
Later gaan ze samen naar school. De juf vertelt over de winter. “Wat is sneeuw?” vraagt ze. Lars steekt zijn hand op. “Zacht!” zegt hij. De kinderen lachen.
Na school komt papa thuis. Hij zegt: “Wat hebben jullie gedaan?” Lars vertelt over de sneeuw en de vogels. “Goed gedaan, Lars!” zegt papa.
Lars voelt zich blij. Winter is leuk. Samen met mama en papa is het warm en gezellig. En de sneeuw? Die is heel mooi!