Lars is een kleine jongen. Hij is één jaar oud. Het is lente. De zon schijnt. Lars loopt de tuin in. Mama is daar ook. Ze heeft bloemen in haar handen.
"Mama, wat doen we?" vraagt Lars met grote ogen.
"We gaan bloemen planten, Lars. Kijk, dit is een tulp," zegt mama. Ze laat een rode tulp zien. Lars lacht. "Rood!" roept hij blij.
Mama maakt een gat in de grond. Lars kijkt goed. Mama stopt de tulp in het gat. "Nu moet de tulp drinken," zegt mama. Ze pakt een gieter. Lars helpt. Samen geven ze de tulp water. "Slok, slok," zegt Lars.
"Goed zo, Lars," zegt mama. "Nu groeit de tulp groot en sterk."
Lars kijkt rond. Hij ziet een vlinder. "Vlinder!" roept hij. De vlinder is geel en fladdert vrolijk.
"O ja, de vlinders houden van bloemen," zegt mama. "Ze komen als het lente is."
Lars rent naar de andere bloemen. Hij ziet een roze bloem. "Roze!" zegt hij. Mama lacht.
"Lars, zullen we nog meer bloemen planten?" vraagt mama.
"Ja!" roept Lars. Hij is blij. Ze planten samen nog meer bloemen. Geel, blauw en wit. Lars helpt met water geven. "Slok, slok," zegt hij elke keer.
De zon gaat langzaam onder. "Kijk, Lars," zegt mama. "De tuin is mooi, hè?"
Lars kijkt rond. "Mooi," zegt hij zacht. Hij is moe maar blij. De bloemen zijn vrolijk. De vlinders dansen. Lars voelt zich gelukkig.
Mama knuffelt Lars. "Goed gedaan, Lars. De lente is mooi met jou," zegt ze. Lars glimlacht. Hij houdt van de lente. En van mama. Samen in de tuin is fijn.