Kleine Flop was heel blij. Het was lente! De zon scheen en de bloemen bloeiden. Flop had een mandje. In het mandje zaten zaadjes. Flop ging naar de tuin.
"Hallo zon," zei Flop. "Hallo bloemen." De bloemen wiegden zachtjes in de wind. Flop glimlachte.
Flop keek rond. Daar was een mooie plek. "Hier ga ik planten," zei Flop. Flop maakte een klein gaatje in de grond. Hij legde voorzichtig een zaadje erin. Flop maakte het gaatje dicht met aarde.
"Nu water," zei Flop. Flop pakte een gieter. Plens, plens, plens. Het zaadje kreeg water.
"Groei maar, zaadje," fluisterde Flop. "Word een mooie bloem."
Flop liep verder. In de tuin waren vogels. "Hallo vogels," riep Flop. De vogels floten vrolijk terug. Flop lachte.
Flop zag een vlinder. "Hallo vlinder," zei Flop. De vlinder fladderde rond. Flop volgde de vlinder.
In de lucht waren wolken. De wolken waren wit en pluizig. Flop keek omhoog. "Wat mooi," zei Flop.
Flop ging terug naar het plantplekje. Het zaadje begon te groeien. Kleine groene blaadjes kwamen uit de grond. Flop klapte in zijn handen. "Hoera!" riep Flop. "De lente is hier."
Elke dag ging Flop terug naar de tuin. Het plantje werd groter en groter. En na een tijdje was er een mooie bloem. Flop was heel trots.
"De lente is mooi," zei Flop. "De natuur is bijzonder."
Flop keek naar de zon. "Dank je wel, lente," fluisterde Flop. "Tot de volgende keer."
En zo leerde Flop dat de lente vol wonderen zat. De tuin was een magische plek. Flop was gelukkig.