Het is winter. Kleine Emma is achttien maanden oud. Ze draagt een warme jas. Haar sjaal is zacht en rood. Emma's mama zegt, "Laten we naar buiten gaan!"
Buiten is alles wit. Er ligt sneeuw op de grond. Sneeuw is koud en zacht. Emma lacht. Ze houdt van de sneeuw. Mama pakt een sneeuwbal. "Kijk, Emma," zegt ze. "Sneeuw is water dat koud is geworden. Het is ijs!"
Emma pakt ook een beetje sneeuw. Het voelt koud in haar hand. "Koud!" zegt Emma en ze lacht weer.
Mama wijst naar de bomen. "Zie je de ijspegels, Emma?" vraagt ze. "Dat is bevroren water."
Emma kijkt omhoog. De ijspegels glinsteren in het zonlicht. Ze glimlacht naar mama. "Mooi," zegt ze.
Mama en Emma maken een sneeuwpop. De sneeuwpop krijgt een wortel voor een neus. Emma klapt in haar handen. "Sneeuwpop!" roept ze blij.
Mama tilt Emma op en geeft haar een knuffel. "Winter is leuk!" zegt mama. Emma knikt. Samen kijken ze naar de witte wereld om hen heen. Het is een mooie winterdag.