Kleine Beer was heel blij. Het was winter! De sneeuw lag overal. Kleine Beer hield van de sneeuw. Hij had een vriendje, Vogel. Vogel was ook blij. Ze gingen samen spelen.
"Kijk, Kleine Beer," zei Vogel. "De sneeuw glinstert. Laten we glijden!"
Kleine Beer knikte. "Ja, laten we glijden! Dat is leuk!"
Ze liepen naar de heuvel. De heuvel was groot en wit. Kleine Beer en Vogel klommen naar boven. Het was hoog.
"Voorzichtig, Kleine Beer," zei Vogel. "Niet vallen."
Kleine Beer lachte. "Ik val niet, Vogel. Ik ben sterk!"
Boven op de heuvel zagen ze de wereld wit en mooi. Kleine Beer en Vogel gingen zitten. Ze hielden elkaars pootje vast.
"1, 2, 3, daar gaan we!" riep Vogel.
Ze gleden naar beneden. De wind was koud, maar het was leuk! Kleine Beer lachte hard. Vogel fladderde met zijn vleugels.
Beneden stonden ze op. "Dat was leuk, Vogel," zei Kleine Beer. "Laten we nog een keer!"
Ze gleden nog een keer, en nog een keer. Elke keer lachten ze harder.
Na het spelen waren ze moe. Ze gingen naar huis. Mama Beer wachtte op hen met warme chocolademelk.
"Was het leuk in de sneeuw?" vroeg Mama Beer.
"Ja, Mama," zei Kleine Beer. "We hebben gegleden en geleerd."
Mama Beer knikte. "Goed gedaan, Kleine Beer. Spelen is leren."
Kleine Beer en Vogel dronken warme chocolademelk. Het was warm en lekker. Buiten sneeuwde het nog steeds.
Kleine Beer keek naar Vogel. "Morgen weer glijden?"
Vogel knikte. "Ja, morgen weer!"
En zo eindigde een mooie winterdag vol spel en plezier.