Het is zomer. De zon schijnt. Emma lacht. "Hallo, zon!" zegt Emma. Haar vriendjes zijn er ook. Sam, Noor, en Max. Max zit in een rolstoel. Ze gaan naar het kamp.
"Wat gaan we doen?" vraagt Sam. "Schilderen!" zegt Noor blij. Emma pakt een penseel. "Ik maak een zon," zegt Emma. "Ik maak een boom," zegt Sam. Max lacht. "Ik maak een huis," zegt Max.
De kinderen schilderen. Ze lachen. "Kijk, mijn zon is klaar!" roept Emma. "Mooi," zegt Noor. "Mijn boom is groot," zegt Sam. Max zegt, "Mijn huis heeft ramen."
Na het schilderen eten ze fruit. "Lekker," zegt Noor. "Ik hou van appels," zegt Emma. "Ik ook," zegt Sam. Max eet een banaan. "Bananen zijn geel, net als de zon," zegt Max.
Daarna gaan ze buiten spelen. Noor zegt, "Laten we rennen." Emma en Sam rennen snel. Max rolt in zijn rolstoel. "Ik ben snel!" roept Max blij. "Ja, heel snel!" zegt Emma.
Ze spelen tikkertje. "Ik tik jou," zegt Sam. Noor lacht en rent weg. "Tik jij mij?" vraagt Noor aan Emma. "Nee, jij bent snel," zegt Emma.
Aan het einde van de dag zitten ze in een kring. "Vandaag was leuk," zegt Emma. "Ja, heel leuk," zegt Max. "Ik hou van schilderen," zegt Noor. "Ik ook," zegt Sam.
De zon gaat langzaam onder. "Tot morgen, zon," zegt Emma zachtjes. "Tot morgen," zeggen de kinderen samen. Ze zwaaien naar de zon.
De dag is voorbij. Ze zijn blij. Ze hebben nieuwe dingen geleerd. En nieuwe vrienden gemaakt. Iedereen gaat naar huis met een glimlach.