“Kijk, mama!” zegt Beer. “Het is zomer. Het is warm. De zon schijnt.”
Mama lacht. “Ja, Beer. Het is vakantie. Wat gaan we doen vandaag?”
Beer denkt even na. “Ik wil reizen. Maar ik blijf thuis.”
Mama pakt een groot boek. “Kijk, Beer. Hier zijn dieren uit andere landen.”
Beer wijst naar een plaatje. “Dit is een olifant! Hij leeft in Afrika. Hij spuit water met zijn slurf.”
Papa kijkt mee. “Wat eet de olifant, Beer?”
Beer zegt: “Bladeren! Net als in onze tuin.”
Beer lacht. “Wij hebben ook bladeren.”
Beer bladert verder. “Kijk, een kangoeroe! Zij springt hoog.”
Mama zegt: “Wij kunnen ook springen, samen in de tuin.”
Beer springt met mama. Ze lachen samen.
“O nee!” roept Beer. “Ik val bijna.”
Mama vangt Beer. “Geeft niet. Samen is het leuk.”
Beer kijkt uit het raam. “Daar zijn mijn vrienden.”
Beer roept: “Hallo! Willen jullie ook reizen?”
Muis en Vosje komen binnen.
Beer vertelt: “Ik heb een boek. We reizen in gedachten.”
Muis zegt: “Ik zie een strand. Zullen we zand tekenen op papier?”
Iedereen tekent.
Beer zegt: “Dit is mijn zand. Dit is mijn zon.”
Papa zegt: “Wat een mooie tekeningen.”
Samen zingen ze een lied.
“Zomer, zomer, zon op mijn gezicht.
Samen zijn, samen lachen, dat is fijn.”
Beer glimlacht. “Ik hoef niet ver weg. Hier is het leuk. Samen leren, samen spelen.”
Mama zegt: “Vakantie is fijn met elkaar.”
Beer knuffelt mama. “Ik hou van vakantie. Ik hou van jullie.”
Iedereen knuffelt elkaar.
De zon schijnt. De zomer is fijn.