De zon schijnt. Beer wordt wakker in het vakantiehuisje. Het is zomer. Het ruikt naar warm hout en zoete sap.
Beer rekt zich uit. “Mmm,” zegt Beer. Buiten zingen vogels: tjiep-tjiep. Beer doet zijn hoedje op. “Hop!”
In de keuken staat mama Beer. Ze snijdt rood fruit. “Wil je aardbei?” vraagt ze. “Ja,” zegt Beer. Hap, hap. Het is koud en zoet.
Dan gaan ze naar het strand. Beer loopt op blote pootjes. Het zand is warm. “Oei, warm,” zegt Beer zacht. Mama Beer geeft een nat doekje. “Zo,” zegt ze. Beer veegt zijn pootjes. “Fijn,” zegt Beer.
Bij het water maakt Beer een kleine kuil. Schep, schep. Een golfje komt. Plouf! Water in de kuil. Beer lacht. “Plouf!” zegt hij ook.
Beer ziet een kindje met een schep. Het kindje kijkt. Beer kijkt ook. Beer houdt zijn schep vast. Hij wil spelen, maar hij is een beetje verlegen. Mama Beer knikt. “Zeg maar hallo,” zegt ze.
Beer stapt dichtbij. “Hallo,” zegt Beer. Het kindje lacht. “Hallo,” zegt het. Ze maken samen een zandberg. Klop-klop met de hand. Ze zetten een schelp bovenop. “Mooi,” zegt Beer.
Later eten ze brood en drinken water. Beer voelt zich rustig. De zon is zacht. Op weg terug zwaait Beer. “Dag-dag!”
Samen delen en hallo zeggen maakt de zomer nog fijner.