Lina en Noor zijn samen. Het is zomer. “Vakantie!” roept Lina blij. Noor lacht. De zon schijnt. Het gras is groen. Samen lopen Lina en Noor naar buiten.
“Wil je bloemen zoeken?” vraagt Noor. “Ja!” zegt Lina. Ze zoeken rode bloemen. Ze vinden gele bloemen. “Kijk!” roept Lina. Noor ruikt een bloem. “Dat ruikt lekker,” zegt Noor.
Mama komt naar buiten. “Gaan we schilderen?” vraagt mama. “Ja!” roepen Lina en Noor. Ze maken schilderijen van bloemen. Mama lacht. “Mooi gedaan!” zegt mama.
Later eten ze samen ijs in de tuin. Ze lachen zacht. Lina zegt: “Ik vind de zomer leuk.” Noor zegt: “Samen is fijn.” Mama knikt. De zon schijnt. Het is een fijne vakantiedag.