Lena is een vrolijk meisje. Lena is 18 maanden oud. Het is zomer. Zomer is warm. Zomer is leuk.
Lena zit in de tuin. Mama zit naast Lena. Lena heeft een boek. Het boek is groot en kleurrijk. Lena kijkt in het boek. Lena ziet een zon. De zon is geel. Lena lacht. "Zon," zegt Lena.
Mama wijst naar de zon in de lucht. "Kijk, Lena," zegt mama. "Daar is de zon. Net als in het boek." Lena kijkt omhoog. Ze ziet de zon. Lena klapt in haar handjes. "Zon!" roept Lena blij.
In het boek is ook een zee. De zee is blauw. De zee heeft golven. Lena wijst naar de zee. "Zee," zegt Lena. Mama knikt. "Ja, dat is de zee. De zee is groot en nat."
Lena draait de bladzijde om. Lena ziet een ijsje. Het ijsje is roze en wit. Lena wijst naar het ijsje. "IJsje," zegt Lena. Mama lacht. "Ja, Lena. IJsjes zijn lekker in de zomer."
Lena kijkt verder. Lena ziet kinderen spelen. De kinderen rennen. De kinderen lachen. Lena wijst. "Spelen," zegt Lena. Mama knikt. "Ja, spelen is leuk. Wil je spelen, Lena?"
Lena knikt. Lena staat op. Lena loopt naar het gras. Lena speelt met een bal. De bal is rood. Lena gooit de bal. Lena lacht. Mama lacht ook.
Lena is blij. Lena leert veel. Lena ziet veel. Zomer is leuk. Zomer is warm. Lena speelt. Lena leert. Lena geniet.
Mama kijkt naar Lena. "Zomer is fijn, hè, Lena?" zegt mama. Lena knikt. "Zomer," zegt Lena zachtjes. Lena voelt zich blij en veilig.
Einde.