Lotte is een klein meisje van twee jaar. Het is zomervakantie. De zon schijnt. Lotte is blij.
“Mama, gaan we naar het strand?” vraagt Lotte met grote ogen.
“Ja, Lotte! We gaan naar het strand!” zegt Mama lachend.
Lotte springt op en neer. “Jippie! Ik hou van het strand!”
Mama pakt de spullen. “We nemen een handdoek, een bal en wat te eten.”
Lotte helpt. Ze pakt de bal. “Bal! Bal! Ik wil spelen!” roept ze.
“Ja, schatje. We gaan samen spelen,” zegt Mama.
Ze stappen in de auto. Lotte kijkt naar buiten. De bomen gaan snel voorbij. “Kijk, Mama! Een grote boom!”
“Mooi, hè?” zegt Mama.
Na een tijdje komen ze aan bij het strand. Lotte springt uit de auto. “Zand! Zand!” roept ze blij.
Ze rent naar het zand. “Kijk, Mama! Zandkastelen!” zegt Lotte en begint te graven.
Mama legt de handdoek neer. “Laten we eerst wat drinken. Heb je dorst?”
Lotte knikt. “Ja, water, alstublieft!”
Mama geeft Lotte een flesje water. “Hier, drink maar.”
Lotte drinkt en zegt: “Dank je, Mama!”
Na het drinken gaat Lotte weer spelen. Ze pakt de bal en gooit hem. “Vang, Mama!”
Mama vangt de bal. “Goed zo, Lotte! Jij bent een hele goede speelster!”
Lotte lacht. “Ik hou van het strand! Ik hou van jou, Mama!”
“Mama houdt ook van jou, Lotte,” zegt Mama.
De zon begint te zakken. “Het is tijd om naar huis te gaan,” zegt Mama.
“Ja, maar ik wil morgen weer komen!” roept Lotte.
“Dat kan, schatje. Morgen weer naar het strand!” zegt Mama.
Lotte glimlacht. “Jippie!”