Op een zonnige ochtend spelen vier jongens samen in de tuin. Tim zit in het groene gras. Raf duwt zijn rode autootje. Sam kijkt naar de bloemen. Max maakt een toren van blokken. Ze lachen en roepen: “Kijk!”
Plots roept Tim: “Waar is mijn bal?” De bal is weg! Iedereen kijkt rond. “Zie jij hem?” vraagt Raf. Sam wijst naar het zand. “Misschien daar!” zegt hij.
Ze kruipen naar het zand. Geen bal. Raf kijkt onder het bankje. “Niet hier,” zegt Raf. Max lacht: “Misschien in het huis!” Ze gaan samen naar het huis. De deur piept zacht. Ze stappen binnen. In de gang liggen schoenen. Geen bal.
Ze zoeken in de keuken. “Hallo bal, waar ben je?” zegt Sam. Plots ziet Max iets ronds achter de stoel. “Ik zie iets!” roept hij. Iedereen loopt snel. Ze kijken samen. Het is de bal! Tim klapt in zijn handen. “Daar ben je!” zegt hij blij.
Samen pakken ze de bal. Ze geven hem aan elkaar. Iedereen lacht en is blij. Raf zegt: “Goed gezocht!”
Mama komt kijken. “Wat knap van jullie,” zegt ze. “Samen zijn jullie slim.”
Ze spelen weer verder, nu met de bal. De zon schijnt en iedereen lacht.
Soms vind je iets als je goed samen zoekt.