Muis Mia woont in een klein huisje bij het park. Ze heeft een rood koekblik. Daarin zitten haar ronde koekjes.
Vandaag is het blik leeg. Mia kijkt erin. “Oei,” zegt Mia zacht. “Waar zijn mijn koekjes?”
Ze pakt haar speurpet. Ze loopt rustig de keuken in. Op de vloer ziet ze kruimels. Kleine, droge kruimels. Ze wijst. “Kijk, een spoor!”
Eend Eef komt aan waggelen. “Wat zoek je?” zegt Eef.
“Mijn koekjes,” zegt Mia.
“Ik help,” zegt Eef.
Ze volgen de kruimels. Naar de deur. Naar het tuinpad. De zon is warm. De kruimels gaan langs de zandbak. Daar ligt een klein blauw lintje.
“Dat lintje ken ik,” zegt Eef. “Dat is van Konijn Kiki.”
Ze lopen verder. Bij de boom zien ze nog kruimels. En pootjes in het zand. Kleine pootjes. Met twee lange strepen ernaast.
“Mia,” zegt Eef, “dat zijn sprong-voetjes. Konijnen voetjes!”
Mia knikt. “Dan gaan we naar Kiki.”
Bij het hol zit Konijn Kiki. Ze draagt een mandje. In het mandje liggen koekjes. En ook wortels. Kiki kijkt blij. “Voor de picknick!” zegt Kiki. “Ik dacht dat het voor iedereen was.”
Mia lacht. “Het is mijn blik, maar we delen,” zegt Mia.
Samen zitten ze op een kleed. Ze tellen koekjes. Eén, twee, drie. En ze knabbelen zacht.
Moraal: Als je rustig kijkt en lief vraagt, vind je samen een fijne oplossing.