Bas is vier. Bas is klein. Bas ziet iets raar. Zijn sok is weg. Eén sok blijft in de mand. Waar is de andere sok?
Bas kijkt rond. Hij knielt. Hij zoekt onder de bank. Geen sok. Hij gaat naar de kast. Geen sok. Hij lacht. "We zoeken samen," zegt mama zacht.
Ze maken een plan. "Eerst sporen," zegt Bas. Hij kijkt naar kleine sporen. Een pluim. Een stukje draad. Ze volgen de sporen naar de deur.
De deur staat open. Buiten is het zacht. Het gras glinstert. Bas wijst. "Kijk." Op het pad ligt een klein rood stuk stof. Bas pakt het op. Het voelt warm. Bas ruikt. Het ruikt naar hond.
"Misschien de hond," zegt papa. Ze gaan naar de tuin. Daar slaapt hond Muis. Muis ligt op een kussen. Op het kussen zit de sok. Muis heeft de sok warm gemaakt.
Bas lacht. "Dank je, Muis," zegt hij. Hij aaide zacht. Muis kwispelt. Ze geven de sok terug aan Bas. De sok is schoon. Ze kloppen hem licht. Bas trekt de sok aan. Zijn voet voelt blij.
Alleen een klein mysterie meer. Waar is de sok aan de andere voet? Bas kijkt nog een keer. In de kast, achter een doos, vindt hij de sok. Opgelost!
De dag is zacht. Iedereen is blij.
Samen zoeken helpt en maakt het werk leuk.