Toc-toc! Het is ochtend. Daan, Sam en Finn zitten samen op de grond. Ze hebben hun blokjes, hun knuffelbeer en hun auto's. Plots roept Daan: “Waar is mijn blauwe blokje?” Sam kijkt rond. Finn zegt: “Blauw, waar ben je?”
Ze zoeken. Daan kijkt onder de kast. “Niets!” zegt hij. Finn kijkt achter de stoel. “Alleen een sok,” lacht Finn. Sam zegt: “Ik kijk in de doos.” Rits-rats! Sam tilt de deksel op. Maar geen blauw blokje.
De jongens denken. “Misschien is het in de keuken,” zegt Finn. Ze lopen samen, hop hop, naar de keuken. Daar ligt een lepeltje. Pling! “Is dit het?” vraagt Sam. “Nee,” zegt Daan, “dat is geen blokje.”
Ze horen ‘miauw'. De poes komt met iets in haar poot. Daan roept: “Kijk! Dat is mijn blauwe blokje!” Finn lacht: “Slimme poes!” Sam zegt: “Dank je, poes!”
Daan pakt zijn blokje. Iedereen klapt in de handen. Klap klap! “Nu kunnen we bouwen!” zegt Finn. Ze stapelen blokjes, bouwen een toren en lachen samen.
Samen zoeken is leuk. Samen vinden is fijn. De jongens zijn blij. Ze knuffelen de poes.
Samen zoeken is fijn, want samen lukt het alles!