Mila is drie jaar. Ze zit aan de keukentafel. Voor haar ligt een bordje. Er hoort een koekje op. Maar het bordje is leeg.
Mila kijkt rond. Op de stoel ligt een kruimel. Op de vloer ligt nog een kruimel. Mila lacht zacht. “Een spoor!”
Mama komt erbij. “Wat zoek jij, Mila?” vraagt mama.
“Mijn koekje,” zegt Mila. “Ik ben speur-meisje.”
Mama knikt. “Goed idee. Kijk met je ogen. En met je neus.”
Mila snuft. “Mmm. Koek.” Ze volgt de kruimels. Eén kruimel bij de kast. Twee kruimels bij de mat. Drie kruimels bij de bank.
Bij de bank ligt een klein stukje papier. Mila pakt het op. Het is een servet met een vet vlekje. “Aha,” zegt Mila.
Ze kijkt onder de bank. Daar ligt een blok. En een sok. En… een rond koekje! Mila klapt in haar handen. “Ik heb je!”
Maar dan hoort ze “woef” heel zacht. Het is hondje Bo. Bo zit ernaast. Zijn staart wiebelt. In zijn mond is niks. Alleen een nat neusje.
Papa komt ook kijken. “Wie is de dader?” vraagt papa met een grapstem.
Mila denkt. Ze kijkt naar Bo. Ze kijkt naar de kruimels. Ze kijkt naar haar eigen handen. Ze ziet een kleine kruimel aan haar trui.
Mila zegt: “Ik liep met het koekje. Ik wou het aan Bo laten ruiken. Toen viel het.”
Mama glimlacht. “Dat kan. Bo helpt mee zoeken, hè?”
Bo “woef”t blij. Mila geeft hem een klein stukje van het koekje. Bo smakt. Mila eet ook een stukje.
Papa veegt de kruimels op. Mama pakt het bordje. Mila legt het koekje terug. Ze gaat weer rustig zitten.
Ze zegt: “Volgende keer op het bord. Dan rolt het niet weg.”
Moraal: Samen kijken en samen helpen maakt elk klein raadsel snel weer fijn.