Boem! De deur gaat open. Daar zijn Max, Bram en Sam. Ze zijn vier jaar en dikke vrienden. Ze spelen in de kamer. Plots zegt Sam: “Waar is mijn beer?” Max kijkt rond. Bram zegt: “Hmm, ik zie beer niet.” Sam kijkt een beetje sip. Maar dan… “We zoeken!” roept Bram blij.
Max kruipt onder de tafel. “Toc-toc, beer?” Nee, geen beer. Bram kijkt in de kast. “Hop!” Hij doet de deur open. “Beer, ben je daar?” Alleen sokken. Sam kijkt achter het gordijn. “Boem!” Alleen een bal. Geen beer.
De jongens gaan samen staan. Ze denken. “Waar was beer?” vraagt Max. Sam zegt: “Op de bank!” Ze rennen naar de bank. Niks. Dan lacht Bram: “Kijk! Een oor!” Achter het kussen piept een stukje bruin.
Ze tillen het kussen op. “Tadaa!” Daar is beer! Sam pakt beer en knuffelt hem. “Dag beer!” zegt hij vrolijk. Max lacht: “Goed gevonden!” Bram zegt: “Wij zijn speurders!” Ze geven elkaar een high five. “Hopla!” roept Max.
Beer krijgt ook een dikke knuffel. Iedereen is blij. Sam zegt: “Dankjewel!” Max en Bram lachen. Ze gaan samen verder spelen. Ze zijn samen sterk. En als iets weg is, zoeken ze samen.
Samen zoeken is leuk en samen vinden is fijn.