Tom is twee jaar. Tom zit op de bank met mama. Het is zomer. De zon schijnt.
Tom heeft vakantie.
“Mama, wat gaan we doen?” vraagt Tom.
“We gaan samen reizen, Tom. Met boeken en filmpjes,” zegt mama.
Tom lacht. “Waar gaan we naartoe?”
Mama pakt een boek.
“Kijk Tom, dit is Spanje. Hier dansen mensen en eten ze fruit.”
Tom kijkt naar de plaatjes.
“Dansen!” roept Tom. Hij zwaait met zijn armen.
Mama zet een filmpje op.
“Dit is Japan, Tom. Hier maken kinderen vliegers.”
Tom kijkt.
“Ik wil ook een vlieger maken,” zegt hij blij.
Mama en Tom knutselen samen. Ze knippen, plakken en kleuren.
Tom heeft nu een mooie vlieger.
Tom zegt: “Kijk, papa! Mijn vlieger vliegt!”
Papa klapt in zijn handen.
Later belt Tom met oma.
“Oma, ik heb Spanje gezien en Japan. Ik heb een vlieger!” zegt Tom trots.
Oma lacht. “Wat knap van jou, Tom! Vakantie samen is fijn.”
's Avonds eet het gezin samen. Ze zingen een lied uit het boek.
Tom lacht. Hij voelt zich blij en rustig.
“Vandaag was leuk,” zegt Tom.
Mama knuffelt hem.
“Morgen ontdekken we weer iets nieuws,” zegt mama zacht.
Tom sluit zijn ogen. Hij droomt van dansen, vliegers en samen zijn.
Samen leren, samen lachen. Zomer is fijn.