Tom en Bas zijn vrienden. Tom en Bas zijn bijna twee jaar oud. Het is zomer. De zon schijnt. Het is warm buiten.
“Mama, mogen we naar buiten?” vraagt Tom.
“Ja, schatjes. Zet je hoed op,” zegt mama.
Tom en Bas zetten hun hoed op. Ze lachen.
Bas zegt: “Kijk, bloemen!”
Tom zegt: “Gele bloemen, rode bloemen.”
Ze rennen samen naar het park. Mama loopt mee.
Ze zien een grote glijbaan.
“Glijden?” vraagt Bas.
“Ja, samen!” roept Tom.
Ze klimmen op de glijbaan.
Eén, twee, drie… glijden maar!
Ze lachen.
“Dat was leuk,” zegt Bas.
Ze lopen verder. Ze zien een fontein.
“Spetteren?” vraagt Tom.
“Kijk, water!” roept Bas.
Ze spetteren met hun handen in het water.
Mama lacht.
“Goed zo, jongens. Niet te nat worden.”
Ze zien een grote boom.
“Picknick?” vraagt Tom.
“Ja, picknick!” zegt Bas.
Mama zet een kleed op het gras.
Tom en Bas eten brood en een appel.
“Samen eten is fijn,” zegt Tom.
Na het eten gaan ze naar de eendjes bij de vijver.
“Kwik, kwik,” zegt Bas.
“Dag eendjes,” zegt Tom.
Ze zwaaien naar de eendjes.
Als ze naar huis gaan, zegt Tom: “Zomer is fijn.”
Bas zegt: “Samen is fijn.”
Mama knuffelt hen.
“Wat een mooie dag,” zegt mama.
Samen zijn ze blij. Elke dag in de zomer is leuk.