Mama zegt: “Kom, Sam. We gaan naar de tuin.”
Sam lacht. Hij trekt zijn laarsjes aan.
Mama pakt een klein schepje.
Sam zegt: “Grond!”
Mama zegt: “Ja, Sam. We geven de plantjes water.”
Sam giet een beetje water bij de bloemen.
Mama zegt: “Goed gedaan, Sam! De bloemen zijn blij.”
Sam kijkt naar de vlinder.
Sam zegt: “Vlinder!”
Mama zegt: “De vlinder houdt van bloemen. We zorgen samen voor de bloemen.”
Sam kijkt naar de worm in de grond.
Sam zegt: “Hallo, worm!”
Mama lacht. “De worm maakt de aarde zacht. Dat is fijn voor de planten.”
Sam ziet een vogel.
Sam zegt: “Vogel eet zaadjes!”
Mama zegt: “Ja, Sam. De vogel woont in de boom. We planten bomen voor de vogels.”
Sam zegt: “Boom groot!”
Mama zegt: “Bomen geven schaduw. Bomen zijn fijn voor dieren en mensen.”
Sam pakt een blaadje.
Sam zegt: “Groen!”
Mama zegt: “Bladeren zijn groen. Ze maken schone lucht. Dat is goed voor iedereen.”
Sam kijkt naar de composthoop.
Sam zegt: “Wat is dat?”
Mama zegt: “Dat is compost. Oude schillen worden voedsel voor de aarde. Dat helpt de plantjes groeien.”
Sam zegt: “Helpen!”
Mama zegt: “Ja, Sam. We helpen samen de natuur.”
Sam lacht.
Mama zegt: “Als we goed zorgen voor de tuin, groeit alles mooi. Dan is er plek voor bloemen, vlinders, vogels en wormen.”
Sam zegt: “Samen goed!”
Mama knuffelt Sam.
Mama zegt: “Ja, Sam. Samen zorgen we voor de aarde. De tuin is blij. Wij zijn blij.”
Sam zwaait naar de bloemen.
Sam zegt: “Dag bloemen! Tot morgen!”
Mama zegt: “Tot morgen, tuin. We zorgen elke dag een beetje.”
De zon schijnt zacht.
De tuin is rustig.
Alles groeit samen.
Sam is gelukkig.