Sam en Noor spelen samen buiten. Sam zit in een rolstoel. Noor loopt naast hem. Ze lachen. De zon schijnt. De bomen zijn groen.
Op straat zien ze papiertjes en flesjes liggen. “Wat is dat?” vraagt Noor.
“Dat is afval,” zegt Sam. “Dat hoort niet op de grond.”
Ze kijken rond. Er ligt veel afval. Noor fronst haar gezicht. “Dat is niet goed voor de vogels,” zegt ze zacht.
Sam knikt. “Ook niet voor de bloemen,” zegt Sam.
Ze denken samen na. Noor zegt: “Misschien kunnen wij helpen?”
Sam lacht. “Ja, samen zijn wij sterk!”
Ze zoeken een grote tas. Noor raapt een papiertje op. Ze stopt het in de tas. Sam pakt een flesje. Hij legt het voorzichtig in de tas. Ze zingen samen: “Opruimen, opruimen, dat is fijn!”
Buurman Tom ziet hen aan het werk. “Wat doen jullie?” vraagt hij.
“We ruimen op!” zegt Noor blij.
“Goed idee,” zegt buurman Tom. Hij pakt ook afval op.
Al snel komt buurvrouw Sara helpen. Ze lachen samen.
Noor kijkt in de tas. “Wat doen we nu met het afval?” vraagt ze.
Sam wijst naar een prullenbak met kleuren. “Hier hoort papier, daar hoort plastic,” zegt hij.
Samen sorteren ze alles. Noor zegt: “Dat is recyclen!”
De tas is leeg. De straat is schoon. De vogels komen zingen. De bloemen staan rechtop.
Noor zegt: “Onze straat is nu mooi.”
Sam lacht. “En de dieren zijn blij.”
Noor geeft Sam een high-five. “Wat hebben wij goed gedaan!”
Sam knikt. “Samen kunnen wij alles.”
De buren klappen. Iedereen is trots. De zon schijnt warm. Noor en Sam kijken naar elkaar.
“Nooit meer afval op de grond,” zegt Noor.
“Nooit meer,” zegt Sam.
Ze fietsen en rollen samen naar huis. Ze voelen zich sterk. Ze weten: als iedereen helpt, blijft de wereld mooi en schoon.