Lina is een klein meisje. Lina is één jaar oud. Vandaag gaat Lina met haar klas naar het bos. Juf zegt: “We gaan de natuur zien. We gaan goed zorgen voor de natuur.”
Lina stapt met haar kleine voeten. Gras is zacht. Blaadjes zijn groen. Vogels zingen. “Kijk! Een vogel!” zegt Lina. “Ja, Lina,” zegt juf, “vogels wonen hier.”
Lina ziet een bloem. De bloem is geel. “Lina, raak zachtjes aan,” zegt juf. “Bloemen zijn klein. Bloemen zijn mooi. Bloemen groeien in het bos.”
Samen met de klas raapt Lina een papiertje op van het pad. “Papiertje hoort niet in het bos,” zegt juf. “We stoppen het in de bak.” Lina lacht. Ze gooit het papiertje in de bak. “Goed zo, Lina!” zegt juf.
Lina drinkt water uit haar fles. Juf zegt: “Lina, we nemen de fles weer mee naar huis. De fles hoort niet in het bos. Dieren kunnen de fles niet eten. Zo blijft het bos schoon.”
Lina kijkt naar een slak. De slak kruipt langzaam. “Slak is een dier,” zegt juf. “Alle dieren zijn belangrijk. Dieren en planten hebben elkaar nodig.” Lina zwaait naar de slak.
De klas zingt samen: “Schoon bos, groen gras, fijne dieren, samen blij.” Lina klapt in haar handen.
Op school plant Lina samen met haar klas een klein boompje in de tuin. “Boompje groeit. Boompje maakt lucht. Boompje geeft schaduw.” Iedereen geeft water.
Aan het einde van de dag zegt juf: “We hebben goed gezorgd voor de natuur. Wij helpen. Wij zijn fijn voor de aarde.” Lina glimlacht. Het bos is schoon. De bloemen zijn blij. De vogels zingen.
Lina weet nu: “Ik kan helpen. Samen zorgen we voor de natuur. Wij zijn vriendjes van de aarde.”